
Als nuttige medewerker aan het grote werk moet je leren alles te aanvaarden wat het lot je brengt. Het zijn niet de uiterlijke omstandigheden die je je waarde verlenen, maar alleen in hoeverre je God openbaart. Vernederingen en verdeemoediging jou door de wereld aangedaan, kunnen je innerlijke waarde niet verminderen of teniet doen. Maar loftuitingen en zo kunnen deze ook niet vermeerderen. En zo moet de manier waarop onwetenden je behandelen je niet van je stuk brengen. Je blijft wie je bent, of men je nu geringschattend behandelt of je roem verkondigt.
Leer met alle omstandigheden tevreden te zijn, en ze, helemaal niet van je stuk gebracht, te accepteren. Als je werkzaamheid bij het grote werk van je vergt in grote armoede te leven of een hoge positie in te nemen en te beschikken over een enorm vermogen, moet je zowel het ene als het andere beschouwen als middel tot het grote doel. Niets mag verandering brengen in je innerlijke instelling. Op die manier gebruikt, wordt het “alles aanvaarden” goddelijk. Maar verval nooit tot een apathisch zich afzijdig houden of in laffe karakterloosheid.
Onderscheid het schone van het lelijke, het goede van het slechte of kwade, het ware van het onware. Verwerf een volmaakt onderscheidingsvermogen.
Heb niet de persoon lief, maar heb in die persoon het goddelijke lief. Die persoonlijkheid is alleen maar een instrument tot openbaring van God.

zit ik straks
op een appartement
te wroeten
mijn groene vingers
in de aarde
van de tuin van mijn dromen
mijn nagels zal ik er niet op breken
een barst in de fragiele dromen

in mij deinen
alle golven van de zee
alsmaar op en neer
tot zandpatronen
ik mezelf leer kennen
onder de einder
rol ik af en aan
zwalp doorheen stormen
om te worden
zee en zon
van alle luchten

Vandaag een mooie dag
ik heb mijn bed opgemaakt
mijn glimlach opgezet

zero nul
da’s niets
zelfs minder dan iets
het grote niets
zero nul
t’is rond als een cirkel
als liefde die danst
zero nul
‘t is een ring
gevat in goud
het al in het niets
zero nul
een dromenvanger
een denkbeeldige ring
waardoorheen het leven
zichzelf weeft
de wind hoogtij viert




